liplezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lip·le·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
liplezen


onvolledig

Werkwoord

liplezen

  1. overgankelijk trachten door naar de beweging van iemands mond en diens lichaamstaal te kijken, te begrijpen wat er gezegd wordt, zonder het geluid te kunnen waarnemen
    • [...] nee, in een close up van Wesley vlak na het doelpunt liplazen wij duidelijk twee keer het woord 'Robben'.[1] 
    • De geschreven en lipgelezen taal was voor haar een moeizaam bestudeerde vreemde taal [.]. 
Synoniemen
Opmerkingen
  • De Taalunie geeft het werkwoord als een onvolledig werkwoord, maar andere vormen dan de onbepaalde wijs komen spaarzaam voor.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Was die Presse schreibt ... - Kein Keloel 2008
    Gekrenkte sinaasappels
    Nico Dijkshoorn