liggend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lig·gend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
liggen

liggend

  1. onvoltooid deelwoord van liggen
stellend
onverbogen liggend
verbogen liggende
partitief liggends

Bijvoeglijk naamwoord

liggend

  1. zich horizontaal en in rust bevindend
    • Patiënten worden liggend vervoerd in een ambulance. 
    • Liggend in bed las hij de krant. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.