langlaufen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Langlaufen op de Veluwe
Woordafbreking
  • lang·lau·fen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘skilopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1924 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
langlaufen
langlaufte
gelanglauft
zwak -t volledig

Werkwoord

langlaufen

  1. inergatief op latten door de sneeuw voortbewegen
    • Er wordt daar veel gelanglauft 
  2. ergatief op latten door de sneeuw ergens heengaan
    • Martin langlaufte langs het bos toen hij werd overvallen door een lawine. 

Zelfstandig naamwoord

langlaufen o

  1. (sport) een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
    • Langlaufen is een sport tijdens de Olympische winterspelen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen