Naar inhoud springen

kwijt

Uit WikiWoordenboek
  • kwijt
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrij van, niet meer in het bezit van’ voor het eerst aangetroffen in 1237 [1]
  • Van het middelnederlandse quiet, "vrij, verlost van", waarschijnlijk van het oudfranse quite, van het klassiek latijn quietus, "rustig".[2]
stellend
onverbogen kwijt
verbogen (alleen
predicaat)

kwijt

  1. ~ + oorzakelijk voorwerp niet meer weten waar iets is
    • Hij is zijn horloge kwijt. 
     'Ze zijn een van hun jongens kwijt.[3]
     Hoewel de maan helder scheen, raakte ze hem toch kwijt en haar bloed koelde snel af, maar ze vervolgde haar weg, het verroeste hek uit en het zandpad op dat naar het dorp leidde, struikelend over stenen en zichzelf vervloekend omdat ze zo stom was geweest om op hoge hakken naar buiten te gaan.[3]
  • kwijt zijn
geld dat men moet uitgeven
  Aan vaste lasten was ik per maand al meer dan vier keer zoveel kwijt. [4] 
vervoeging van
kwijten

kwijt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van kwijten
  2. gebiedende wijs van kwijten
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]