kwijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwij·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(zich...) doen, vervullen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237 [1]
  • afgeleid van kwijt met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kwijten
kweet
gekweten
klasse 1 volledig

Werkwoord

kwijten

  1. wederkerend zich ~: een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
    • Hij heeft zich aardig van zijn taak gekweten. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen