kwijtschelden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwijt·schel·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kwijtschelden
schold kwijt
kwijtgescholden
klasse 3 volledig

Werkwoord

kwijtschelden

  1. (ditransitief) een schuld schrappen
    Ze kregen hun achterstallige betalingen gedeeltelijk kwijtgescholden.