kraag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een vrouw met een kraag.
[2] Een kraag van een overhemd.
[4] Een pils met kraag.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kraag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kraag kragen
verkleinwoord kraagje kraagjes

Zelfstandig naamwoord

kraag m

  1. (kleding) een kledingstuk rond de hals
    • Iedereen kent het schilderij van Spinoza, met zwarte mantel en witte kraag, donkere ogen en afgeronde wenkbrauwen. 
  2. (kleding) een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
    • De kraag van dit overhemd is versleten. 
  3. de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
  4. een witte rand schuim op een glas bier
    • Vlak na het inschenken bestaat de kraag voor 70% uit gas en 30% uit bier. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • In de kraag vatten.
    • Zorgen dat iemand niet kan ontsnappen.
      • De bewoners hebben de inbreker in de kraag gevat en wachten nu op de politie.
    • Iemand arresteren.
      • De politie heeft donderdag een notoire benzinedief in de kraag gevat.
  • Een stuk in de kraag hebben.
    • Dronken zijn.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kraag krae

Zelfstandig naamwoord

kraag

  1. (kleding) kraag