kosthuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kost·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kosthuis kosthuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kosthuis o [1]

  1. het huis waar men eet en slaapt
    • Het dorp trekt een heleboel arme blanken aan. Mensen die in het nieuwe Zuid-Afrika hun sociale vangnet hebben verloren. mensen die het erg moeilijk hebben en hier een thuis vinden. Voor deze inwoners -bereid om hard te werken- voorziet het dorp in piepkleine arbeidershuisjes. Daar kan je in als je als gezin komt. Kom je als individu, zonder geld, dan word je in het logement voor alleenstaanden gehuisvest. Er is een kosthuis voor mannen, en een hele eind daarvandaan, voor vrouwen. De gids benadrukt weer het Christelijke karakter van de gemeenschap. Blijkbaar kunnen die waarden alleen door de expliciete regels van de dorpsraad gevestigd worden.[2] 
    • Regelmatig leven, gezond eten, sporten en niet teveel ‘te’ doen. Op die manier kan je prima heel oud worden, vertelt Truus Bakhuis-Mannessen. Zij kan het weten, vrijdag vierde ze haar honderdste verjaardag. „En een goed kosthuis, dat helpt ook.”[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard Lieve Leroy 18/09/2016
  3. Tubantia Arjan te Bogt 19-11-2016