kompel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘mijnwerker’ voor het eerst aangetroffen in 1948 [1]
  • Afkomstig van het Limburgse koempel en van het Duitse Kumpel (vriend of kameraad). Verwant met kompaan.
enkelvoud meervoud
naamwoord kompel kompels
verkleinwoord kompeltje kompeltjes

Zelfstandig naamwoord

kompel m

  1. (beroep) een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
    • Bij de instorting van de mijn verongelukten éénentwintig kompels. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen