koeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Koeler [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koe·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koeler koelers
verkleinwoord koelertje koelertjes

Zelfstandig naamwoord

koeler m

  1. een goed geisoleerde tas of bak waarin voorwerpen met ijs koel gehouden kunnen worden
    • Vergeet niet de koeler mee te nemen, als we naar het strand gaan. 
  2. (scheikunde) twee concentrische cilinders waarvan door de buitenste een koelvloeistof gevoerd wordt om de dampen in de binnenste te koelen en/of te doen condenseren
    • Meestal wordt het tegenstroomprincipe toegepast en stromen de koelvloeistof en de dampen in een koeler in tegengestelde richting. 
Hyperoniemen
Hyponiemen

Bijvoeglijk naamwoord

koeler

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van koel

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie