knel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knel

Werkwoord

vervoeging van
knellen

knel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knellen
    • Ik knel. 
  2. gebiedende wijs van knellen
    • Knel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knellen
    • Knel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.