listigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lis·tig·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord listigheid listigheden
verkleinwoord listigheidje listigheidjes
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

listigheid v [1]

  1. het iemand proberen in eigen voordeel voor te bedriegen
     Vanaf het moment dat hij dit nieuws kreeg tot aan het einde van de veldtocht hield Koetoezov zich slechts onledig met het door zijn autoriteit, door listigheid en door smeekbeden vrijwaren van zijn troepen van nutteloze aanvallen, manoeuvres en schermutselingen met de tot de ondergang gedoemde vijand.[2]
     Volgens de fiscus is Moszkowicz 'structureel bezig geweest zaken te verhullen', zo lichtte de belastinginspecteur op 5 oktober bij de rechtbank in Haarlem toe, en kan hij dat niet anders dan opzettelijk hebben gedaan. Er was sprake van 'een patroon, een structureel karakter en listigheid', vindt de inspecteur. Nu de schikking is getroffen, zal de rechtbank geen uitspraak meer doen.[3]
  2. een leugen, het bedrog
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj op Wikipedia “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028251151
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 januari 2022 Weblink bron “Moszkowicz schikt boetes met Belastingdienst” (29 oktober 2012), Het Parool