klunzig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klun·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van kluns met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klunzig klunziger klunzigst
verbogen klunzige klunzigere klunzigste
partitief klunzigs klunzigers -

Bijvoeglijk naamwoord

klunzig

  1. als passend bij een onhandige prutser
    • Hij had de fietsbanden zo klunzig geplakt dat ze binnen de kortste tijd weer leeg liepen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be