oenig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van oen met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oenig oeniger oenigst
verbogen oenige oenigere oenigste
partitief oenigs oenigers -

Bijvoeglijk naamwoord

oenig

  1. dom
    • De oenige jongen verdwaalde helemaal in de grote stad. 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be