onhandig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·han·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van handig met het voorvoegsel on-.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onhandig onhandiger onhandigst
verbogen onhandige onhandigere onhandigste
partitief onhandigs onhandigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onhandig

  1. niet goed met de handen om kunnen gaan
    • De onhandige man had al drie spijkers krom geslagen. 
  2. niet gemakkelijk om mee om te gaan
    • Wat een onhandig trucje is dat, zeg! 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.