incrowd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·crowd
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord incrowd incrowds
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

incrowd m [1]

  1. mensen die bij een gesloten groep horen (een groep die weinig prikkels van buiten krijgt)
    • Lenin? Stalin? Die lagen achter ons, voor ons lag een fantastisch leven: je kon over de hele wereld reizen, in een schitterend appartement wonen, in een superluxueuze auto rijden, olifantenvlees eten bij de lunch. Ruslands ogen rolden. Je leerde meer op straat en tijdens incrowdavondjes, en ik volgde een cursus per correspondentie. Ik vond werk bij een krant. Als ik opstond genoot ik al van het leven.[2] 
    • Marsman schreef haar boek in 1948 op basis van het Canadese archief van de prinses en enkele gesprekken met haarzelf en Reen, Sesink en secretaris jhr. mr . Willem van Tets — de echte incrowd dus. Maar de auteur beschikte niet over de unieke bron die Fasseur zestig jaar later van koningin Beatrix wel mocht gebruiken: de oorlogscorrespondentie tussen Juliana, Wilhelmina en Bernhard. Die briefwisseling begon op het moment dat Juliana inscheepte op de Sumatra en eindigde met haar terugkeer in Nederland, en is zo belangwekkend, juist omdat zij nooit voor de openbaarheid was bedoeld. Omdat de brieven meegingen met de diplomatieke post van en naar gouverneur-generaal Athlone — the bag — waren zij ongecensureerd.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Aleksievic, Svetlana Aleksandrovna 2015 Het einde van de rode mens vertaald door Jan Robert Braat 2015 ISBN 978-90-234-9802-5 pagina 338
  3. Withuis, Jolande Juliana 2016 ISBN 978-90-234-3523-5 pagina 243