kleerkast

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleer·kast
enkelvoud meervoud
naamwoord kleerkast kleerkasten
verkleinwoord kleerkastje kleerkastjes

Zelfstandig naamwoord

kleerkast v/m

  1. (meubel) een meubelstuk dat dient als bergplaats voor kleren
     Nog voordat ik mijn pakken en overhemden ging uithangen in de kleerkast in de achterkamer, voerde ik het ritueel uit waarmee ik het bureau als mijn territorium markeerde.[1]
  2. een grote zwaar gespierde kerel
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be