klauwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klau·wen

Zelfstandig naamwoord

klauwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klauw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klauwen
klauwde
geklauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

klauwen

  1. overgankelijk iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    • Iemand heeft mijn portemonnee geklauwd. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.