kindsdeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kinds·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kindsdeel kindsdelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kindsdeel o [1]

  1. gedeelte van een nalatenschap dat door de kinderen wordt geërfd wanneer er geen testament is opgemaakt
    • Ons huidig Burgerlijk Wetboek is niet erg royaal tegenover de echtgenoot van een overledene. Deze krijgt slechts een kindsdeel, en dat kan te weinig zijn om behoorlijk van te leven en om het genot van huis en inboedel te behouden. Weliswaar geeft de praktijk weinig moeilijkheden te zien - vaak is er een testament en kennelijk blijft het gedrag van de kinderen binnen de perken - maar begrijpelijkerwijs wordt in het nieuw voorgestelde erfrecht geprobeerd de positie van de langstlevende echtgenoot te verbeteren. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC J. de Boer 27 november 1997