killen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kil·len
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engelse to kill [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
killen
kilde
gekild
zwak -d volledig

Werkwoord

killen

  1. overgankelijk van het leven beroven, vermoorden
    • Katten killen honderd miljoen vogels per jaar. [2]
  2. (sport) overgankelijk een wedstrijd winnen
    • Een wedstrijd killen tegen een topland is iets wat de ploeg van Caldas nog moet leren.  [3]
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

killen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kil

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders
61 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen