kazakdraaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·zak·draai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kazakdraaier kazakdraaiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kazakdraaier m [1]

  1. iemand zonder een eigen mening
    • Weinig professoren duiken zo nadrukkelijk op in het maatschappelijk debat als Roger Blanpain. De professor arbeidsrecht van de KULeuven heeft zijn memoires neergeschreven. 'Het moest nu. Ik ben 76 en op weg naar de eeuwige jachtvelden.' Een professor moet altijd zijn mening zeggen. Dat is zijn motto. Koppig, tegendraads, ouwe zot, vakbondsvijand, kazakdraaier: er zijn hem veel eigenschappen toegedicht, fraaie en minder fraaie. [2] 
    • - ‘'t En is maar te knikken’, sprak de stoker, ‘de Minister wil in geen geval den brouwer aanstellen. Hij moet een gezet en ervaren man hebben, beweert hij, en ik kan hem geen ongelijk geven. Ik heb natuurlijk aan u gedacht en ik heb bij mezelf gezeid: de pachter kan even goed als wie ook in den raad over eene meerderheid beschikken
      - als hij Pessemier en zijne vrienden laat varen, zullen de drie leden der Mollenpartij in zijn schuitje springen. Wie zou 't niet doen?’
      - ‘Dan word ik een kazakdraaier?’ zei de Rijke.
      - ‘Neen, dan wordt ge burgemeester’, zei Demol. [3]
       
Synoniemen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 11 OKTOBER 2008 (ty) BLANPAIN IN VIER STELLINGEN
  3. Isidoor Teirlinck (1918)– [tijdschrift] De Gids De leemen torens Kronijk van twee steden