kanshebber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kans·heb·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van kans en hebben met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord kanshebber kanshebbers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kanshebber m

  1. iemand waarvan men denkt dat hij of zij zal winnen
    • „Natuurlijk is dat mijn doel”, antwoordde Roest voor de camera van de NOS zelfbewust op de vraag of bij zijn internationale allround-debuut begin maart in Hamar op het podium wil eindigen. Eind december greep hij net naast kwalificatie voor de EK, zijn eerste tegenvaller in een seizoen waarin hij regelmatig schittert op het koningsnummer, de 1.500 meter. Toch wil hij niet alles richten op zijn favoriete afstand, waarop hij over drie weken bij de WK afstanden kanshebber is op een medaille. „Ik vind allroundtoernooien het allermooiste”, vertelde Roest eerder deze winter al. „Zonde dat er nog maar weinig jongens zijn die het gaan doen.” [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Maarten Scholten 22 januari 2017