junk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • junk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verslaafde aan drugs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1965 [1]
  • van het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord junk junks
junken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

junk m

  1. iemand die aan drugsgebruik verslaafd is, een drugsverslaafde
    • Wat moet je toch met die vieze junk? 
  2. (informeel) troep, rotzooi
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen