junk
Uiterlijk
- junk
- Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verslaafde aan drugs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1965 [1]
- van het Engels [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | junk | junks junken |
| verkleinwoord | - | - |
de junk m
- iemand die aan drugsgebruik verslaafd is, een drugsverslaafde
- Wat moet je toch met die vieze junk?
- (informeel) troep, rotzooi
- Het woord junk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "junk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "junk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ junk op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %