Naar inhoud springen

jabot

Uit WikiWoordenboek
  • ja·bot
enkelvoud meervoud
naamwoord jabot jabots
verkleinwoord jabotje jabotjes

jabot m / o [2]

  1. (kleding) Aanvankelijk: een geplooide strook aan de borst van een mannenoverhemd. Na ongeveer 1880 een kanten plooisel, door dames op het japonlijf gedragen
31 %van de Nederlanders;
26 %van de Vlamingen.[3]


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  jabot     le jabot     jabots     les jabots  

jabot m

  1. (zoötomie)  krop zn  [2]; deel van het darmkanaal van vogels dat gebruikt wordt om tijdelijk voedsel op te slaan om te geven aan de jongen
  2. (zoötomie)  krop zn ; bij werksters van sociale insecten (bepaalde soorten mieren, bijen en wespen) een deel van het darmkanaal om tijdelijk voedsel op te slaan om te geven aan de kolonie
  3. (kleding)  jabot zn