intermezzo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·mez·zo
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘tussenspel’ voor het eerst aangetroffen in 1810 [1]
  • afgeleid van het Italiaanse mezzo (half, middelmatig) met het voorvoegsel inter- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord intermezzo intermezzo's
verkleinwoord intermezzootje intermezzootjes

Zelfstandig naamwoord

intermezzo o

  1. een tijdelijke periode van onderbreking van een handeling
    • Tijdens het intermezzo speelde er een bandje. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen