inlaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inlaten
liet in
ingelaten
klasse 7 volledig

Werkwoord

inlaten

  1. wederkerend zich ~ met bemoeienis hebben met iets of iemand
    • Hij liet zich daar niet mee in. 
  2. overgankelijk iemand verwelkomen bij de deur
    • Wil jij onze gasten even inlaten? 
  3. overgankelijk toegang verschaffen aan iets
    • Er werd water van het IJsselmeer ingelaten. 

Zelfstandig naamwoord

inlaten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord inlaat

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.