inlaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·laat

Werkwoord

vervoeging van
inlaten

inlaat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inlaten
    • ... dat ik inlaat. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inlaten
    • ... dat jij inlaat. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inlaten
    • ... dat hij inlaat. 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be