infecteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·fec·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘besmetten’ voor het eerst aangetroffen in 1550 [1]
  • afgeleid van het Franse infecter (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
infecteren
infecteerde
geïnfecteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

infecteren

  1. overgankelijk, (medisch) aansteken, besmetten
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen