inbreker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bre·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inbreker inbrekers
verkleinwoord inbrekertje inbrekertjes

Zelfstandig naamwoord

inbreker m

  1. iemand die inbreekt
    Ik heb laatst een "Inbrekers niet gewenst"-sticker op mijn deur geplakt.
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord inbreker inbrekers
verkleinwoord inbrekertjie inbrekertjies

Zelfstandig naamwoord

inbreker

  1. inbreker