impotent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·po·tent
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘niet in staat tot geslachtelijk verkeer’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • van het Frans impotent; op te vatten als afleiding van potent met het ontkennend voorvoegsel in-; [2] kan mogelijk juist andersom de betekenis van potent hebben beïnvloed[2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen impotent impotenter impotentst
verbogen impotente impotentere impotentste
partitief impotents impotenters -

Bijvoeglijk naamwoord

impotent [3]

  1. onbekwaam
  2. (seksualiteit) niet in staat een erectie te krijgen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

impotent

  1. onbekwaam, gehandicapt
Overerving en ontlening