Naar inhoud springen

impotent

Uit WikiWoordenboek
  • im·po·tent
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘niet in staat tot geslachtelijk verkeer’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • van het Frans impotent; op te vatten als afleiding van potent met het ontkennend voorvoegsel in-; [2] kan mogelijk juist andersom de betekenis van potent hebben beïnvloed[2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen impotentimpotenterimpotentst
verbogen impotenteimpotentereimpotentste
partitief impotentsimpotenters-

impotent [3]

  1. (pejoratief) onbekwaam
     Vooral in de media werd Buikhuisen verguisd, onder meer door columnist Piet Grijs (een pseudoniem van Hugo Brandt Corstius). Die noemde hem een "kale, impotente carrièrewetenschapper" en vergeleek hem met de toenmalige leider van de nationaalsocialistische Nederlandse Volks-Unie (NVU).[4]
  2. (seksualiteit) niet in staat een erectie te krijgen
98 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]

impotent

  1. onbekwaam, gehandicapt