immuun
Uiterlijk
- im·muun
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onschendbaar, onvatbaar’ voor het eerst aangetroffen in 1895 [1]
- [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | immuun | immuner | immuunst |
| verbogen | immune | immunere | immuunste |
| partitief | immuuns | immuners | - |
immuun
- immuniteit, immuundeficiëntie, immuunreactie, immuunrespons, immuunstof, immuunsysteem, immuunziekte
- Het woord immuun staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "immuun" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "immuun" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ immuun op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Medisch in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %