Naar inhoud springen

immuniteit

Uit WikiWoordenboek
  • im·mu·ni·teit
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘niet-onderworpen zijn aan wetten, onvatbaarheid’ voor het eerst aangetroffen in 1545 [1]
  • Van het Engelse immunity of het Franse immunité, van het Latijnse 'immunitas' met het achtervoegsel -iteit [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord immuniteit immuniteiten
verkleinwoord

deimmuniteitv

  1. (medisch) onvatbaarheid voor een ziekte
  2. onschendbaarheid m.b.t. bepaalde wetten
    • We zien agenten van de federale overheid, bewapend door de federale overheid, getraind door de federale overheid, op wetteloze, willekeurige wijze en met schijnbaar volledige juridische immuniteit mensen lastigvallen, aanvallen, verwonden en zelfs vermoorden op de straten van onze steden.”[3] 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]