immuniteit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·mu·ni·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord immuniteit immuniteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

immuniteit v

  1. (medisch) onvatbaarheid voor een ziekte
  2. onschendbaarheid m.b.t. bepaalde wetten
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen