hospes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hos·pes
enkelvoud meervoud
naamwoord hospes hospites
hospessen
verkleinwoord hospesje hospesjes

Zelfstandig naamwoord

hospes m

  1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
    • Het lijkt wel alsof er veel minder hospites dan hospita's zijn. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders
34 % van de Vlamingen.

Meer informatie