hospice

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

hospice Bethel
Uitspraak
Woordafbreking
  • hos·pi·ce
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hospice hospices
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hospice m

  1. instelling met een huiselijke sfeer die zich in terminale zorg heeft gespecialiseerd
    • Ed heeft meer dan driehonderd persoonlijke bezittingen gedoneerd voor een veiling ten behoeve van St. Elizabeth Hospice, dat hulp biedt aan jonge mensen met een terminale of progressieve ziekte. [2] 
    • Jan heeft leiding gegeven aan de woningcorporatie vanuit de gedachte de mens centraal te stellen bij het zoeken naar optimale oplossingen voor woonvragen. Hij deed dat met een enorme betrokkenheid bij de totstandkoming van de hospice, de huisvesting van bijzondere woongroepen en recent de bouw van gasloze woningen in Het Opbroek”, aldus Hofland. [3] 
    • Samen met z'n vrouw en neef Jan (eigenaar van het restaurant In de Tonne) koos hij drie plaatselijke goede doelen uit, waar hij anders ook wel eens geld aan geeft. Dat waren de Voedselbank Hellendoorn, hospice Noetsele en het Natuurhuus Krönnenzommer. „Mijn kinderen vonden eigenlijk dat ze ook wel een goed doel waren, maar ik heb anders beslist”, lacht Olthof. Aan deze lijst werd het nationale MS Fonds later nog toegevoegd, omdat een vriend van Henk uit Marle aan deze slepende ziekte lijdt. [4] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen