hechting

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hech·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hechting hechtingen
verkleinwoord hechtinkje hechtinkjes

Zelfstandig naamwoord

hechting v [1]

  1. (medisch) het hechten (bijv. van wonden)
  2. (medisch) draad waarmee gehecht is
     Alle zwellingen waren verdwenen, maar de littekens van de hechtingen waren hier en daar nog duidelijk te zien en ze had een gezichtskleur die neigde naar groen en geel.[2]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be