handhaafde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·haaf·de

Werkwoord

vervoeging van
handhaven

handhaafde

  1. enkelvoud verleden tijd van handhaven
    • Ik handhaafde. 
    • Jij handhaafde. 
    • Hij, zij, het handhaafde.