sluimer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slui·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord sluimer sluimers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sluimer m [1] [2]

  1. (biologie) lichte slaap
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
sluimeren

sluimer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluimeren
    • Ik sluimer. 
  2. gebiedende wijs van sluimeren
    • Sluimer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluimeren
    • Sluimer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen