hagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hagen
haagde
gehaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

hagen [1] [2]

  1. zinnen
  2. met een haag omgeven
Hyponiemen

Zelfstandig naamwoord

hagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haag
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen
Naar frequentie 2319

Zelfstandig naamwoord

hagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van hage


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen

Zelfstandig naamwoord

hagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van hage