hagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hagen
haagde
gehaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

hagen [1] [2]

  1. zinnen
  2. met een haag omgeven
Hyponiemen

Zelfstandig naamwoord

hagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haag

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen
Naar frequentie 2319

Zelfstandig naamwoord

hagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van hage


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gen

Zelfstandig naamwoord

hagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van hage