behagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ha·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aangenaam zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1201 [1]
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord hagen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behagen
behaagde
behaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

behagen

  1. onpersoonlijk aan iemand welgevallig zijn
    • Het behaagde hem 's avonds eens een cognacje te drinken bij de open haard. 
    • Het behaagt de koning om te benoemen .... zijn de eerste woorden die uitgesproken worden bij de lintjesregen. 
Opmerkingen
  • Hoewel van oorsprong onpersoonlijk wordt het werkwoord ook wel persoonlijk gebruikt.
    • Gij behaagt den Heere niet. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen