behagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ha·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord hagen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behagen
behaagde
behaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

behagen

  1. (onpersoonlijk) aan iemand welgevallig zijn
    Het behaagde hem 's avonds eens een cognacje te drinken bij de open haard.
    Het behaagt de koning om te benoemen .... zijn de eerste woorden die uitgesproken worden bij de lintjesregen.
Opmerkingen
  • Hoewel van oorsprong onpersoonlijk wordt het werkwoord ook wel persoonlijk gebruikt.
  1. Gij behaagt den Heere niet.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen