groothandel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot·han·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groothandel groothandels
verkleinwoord groothandeltje groothandeltjes

Zelfstandig naamwoord

groothandel m

  1. (economie) de handel die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.
  2. (economie) (bedrijf) een bedrijf die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie