grim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grim
enkelvoud meervoud
naamwoord grim grimmen
verkleinwoord grimmetje grimmetjes

Zelfstandig naamwoord

grim v / m [1] [2]

  1. kniesoor
stellend
onverbogen grim
verbogen grimme

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

grim [3]

  1. fel, grimmig
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
grimmen

grim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grimmen
    • Ik grim. 
  2. gebiedende wijs van grimmen
    • Grim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grimmen
    • Grim je? 


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse grim.
stellend vergrotend overtreffend
grim grimmer grimmest

Bijvoeglijk naamwoord

grim

  1. wreed
  2. beangstigend