beangstigend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ang·sti·gend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beangstigend beangstigender beangstigendst
verbogen beangstigende beangstigendere beangstigendste
partitief beangstigends beangstigenders -

Bijvoeglijk naamwoord

beangstigend

  1. vrees inboezemend
    • De schuldencrisis werd door velen als een beangstigende zaak ervaren en dat deed het vertrouwen op de markten allerminst versterken. 

Werkwoord

vervoeging van: beangstigen
verbogen vorm: beangstigende

beangstigend

  1. onvoltooid deelwoord van beangstigen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.