gozer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • go·zer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: kerel’ voor het eerst aangetroffen in 1906 [1]
  • Herkomst: Bargoens [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gozer gozers
verkleinwoord gozertje gozertjes

Zelfstandig naamwoord

gozer m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws), (informeel), (jongerentaal) vent, kerel
    • Kom op gozer, je kan het! 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen