goudkoorts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goud·koorts
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord goudkoorts -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

goudkoorts v/m

  1. koortsige hebzucht bij goudzoekers en beursspeculanten
    • Werklui en de bemanningen van de schepen in de haven van San Francisco verlieten hun werk, de twee kranten in San Francisco moesten hun deuren sluiten omdat het personeel besmet was door de goudkoorts en de meeste kustplaatsen stroomden leeg omdat de inwoners als toekomstige goudzoekers naar de goudvelden vertrokken. [1]
    • Toch is de huidige ‘’boom’’ van digitale munten niet duurzaam, waarschuwt hij. “Er zal veel worden geleerd en er zal veel geld verloren worden. De hoge koersen die we nu zien worden niet gedreven door gebruik, maar door het speculeren op een stijging. Het lijkt op een goudkoorts-mentaliteit.” [2]
  2. buitensporig verlangen naar rijkdom
    • Door een goudkoorts liet een groot deel van de bevolking zich begin jaren negentig door lepe zakenlieden verleiden tot deelname aan een piramidespel. De hoop om snel rijk te worden verdween als sneeuw voor de zon toen deze investeringsconstructie uiteindelijk als een kaartenhuis ineenstortte.  [3]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen