gnoe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gnoe
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in 1803 [1]
  • Uit Xhosa / Zulu ingqu
enkelvoud meervoud
naamwoord gnoe gnoes
verkleinwoord gnoetje gnoetjes

Zelfstandig naamwoord

gnoe m

  1. (dierkunde) Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae, die ook de antilopes, geiten, schapen, gemzen en runderen omvat
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen