gekonkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kon·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekonkel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekonkel o [1]

  1. het aanhoudend geheime plannen maken met als doel iemand te benadelen; aanhoudend kwaadspreken
    • Voor iemand die meer dan veertig jaar actief was in de politiek hield Eberhard van der Laan een opvallende afkeer van politiek. Politiek stond in zijn ogen voor geruzie en gekonkel, voor partijpolitieke spelletjes, voor gedoe.[2] 
    • Kuciak schreef onder meer over politiek gekonkel en winstbejag. Bij zijn onderzoek is hij mogelijk gestuit op banden van maffiaclans met Slowaakse politici en regeringsfunctionarissen.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen