roddel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rod·del
enkelvoud meervoud
naamwoord roddel roddels
verkleinwoord roddeltje roddeltjes

Zelfstandig naamwoord

roddel m

  1. kwaadsprekerij, achterklap
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
roddelen

roddel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roddelen
    • Ik roddel. 
  2. gebiedende wijs van roddelen
    • Roddel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roddelen
    • Roddel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be