kwaadsprekerij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwaad·spre·ke·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kwaadsprekerij kwaadsprekerijen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kwaadsprekerij v

  1. bewuste verspreiding van negatieve verhalen over iets of iemand
     Na de scheiding werd hij naar eigen zeggen door de autoriteiten bestempeld als politiek onbetrouwbaar. Kwaadsprekerij over het systeem waarin hij opgroeide en een ster werd, was hem desondanks vreemd.[2]
     De verhalen dat de financiële voorspoed van Johannes en zijn familie niet alleen met eerlijk verdiend geld zou zijn bereikt, doet zijn familie af als kwaadsprekerij.[3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 23 maart 2020 Weblink bron Ward op den Brouw “Zwemkampioen spotte met zwaartekracht: hij lag óp het water” (25 december 2019) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 23 maart 2020 Weblink bron Jan Meeus “Hoe de cokemaffia infiltreerde in vissersdorp Urk” (24 november 2017) op nrc.nl