geilheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geil·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van geil met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord geilheid geilheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geilheid v

  1. het geil zijn, de wellustigheid
  2. van gewassen, bomen, planten enz.: weelderigheid ?
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be