gegiechel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·gie·chel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gegiechel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gegiechel o [1]

  1. steeds maar zachtjes en verlegen lachen vooral door meisje of vrouwen
    • De veteranen weten het. De tijd dat vrouwenhormonen werden geprikkeld door hun rennende blote benen, bezwete hoofden en strakke billen is dood en begraven. Wat rest zijn smalende geluiden na een zoveelste mislukte actie en schoolmeisjesachtig gegiechel wanneer de rechtshalf z’n te zware lijf net niet hoog genoeg van de grond krijgt om met z’n hoofd de bal te kunnen raken. Als er een kil windje over het gras waait, zijn ze weg. Naar de kantine, waar de wijnfles wacht.[2] 
    • Dan ziet hij mij. Zijn lieve, zachte ogen lichten op, hij twijfelt, maar loopt dan toch op me af. Waar iedereen bij is, drukt hij even zijn wang tegen de mijne. Dan draait zijn uitbottende lichaam weer van mij af naar zijn vrienden toe. De meeste zijn al van school. Hij is namelijk een keer blijven zitten. Er wordt lacherig wat naar me geroepen door een meisje. Er is iemand verliefd op mijn zoon, begrijp ik. Hij kijkt verontwaardigd. Er stijgt gegiechel op.[3] 
    • Ondanks dat zijn bovenlip volgens vriendin L. 'te dun is'en dat er iets geks is met zijn ogen, is Grey een super aantrekkelijke man met dito lichaam (hallo buikspieren. Vooral de momenten waarop zijn shirt uitging of we een (wel heel beperkte) blik kregen van wat zich onder zijn gescheurde spijkerbroek bevond, was het gegiechel in de zaal niet van de lucht.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf BERT DIJKSTRA 25 feb. 2017
  3. de Telegraaf DAPHNE VAN ROSSUM 06 jan. 2016
  4. de Telegraaf ROOS WOLTERING 06 jan. 2016